EEN WONDERBARE VISVANGST

Na de Duitse inval in Polen op 1 september 1939, verklaren Engeland en Frankrijk de oorlog aan Duitsland en leggen ze grote mijnenvelden aan in de Noordzee om Duitsland de doorgang naar het Kanaal te ontzeggen, maar Duitsland neemt tegenmaatregelen en laat ‘s nachts zowel gewone als magnetische mijnen op zee droppen. Deze laatste maken veel slachtoffers onder de vissers en een ware angstpsychose zorgt ervoor dat velen werk gaan zoeken aan wal. De visserij valt gedeeltelijk stil en intussen kan de haring zich ongestoord voortplanten.
HARING TOT OP HET STRAND
De eerste winter van de bezetting, die van 1940-1941, bleek de Noordzee soms te barsten van de haring. Men kon de haring op bepaalde dagen zomaar te voet, vanuit de zwems en de kellen [1], met emmers opscheppen. Er spoelde zoveel haring aan, dat men de vis met de blote hand kon oprapen. Er werd dan ook de hele oorlog door haring gegeten, zowel gebraden, gerookt, gekookt of ingelegd in azijn.

Tijdens de tweede winter, die van 1942-1943, waren heel wat vissers uit Heist met hun "platte bakken" naar De Panne afgezakt. Zij vonden er woongelegenheid in de verlaten villa's.
Vanaf nu verliep de campagne volgens door de Duitse bezetter voorgeschreven richtlijnen. Vanuit De Panne mocht men evenwel alleen uitvaren met roeibootjes zonder zeil of kompas, teneinde een mogelijke vlucht naar Groot-Brittannië te vermijden. In het begin mocht men slechts vier tot vijfhonderd meter ver van de strandlijn in zee gaan vissen.
VAARTUIGEN
Tijdens het haringseizoen lag het strand van De Panne tussen de “Ocean” en de “Kursaal” bij valavond vol met alle slag bootjes. Op een bepaald ogenblik telde Maurits VERBANCK 131 vaartuigjes. Vanwaar kwamen die allemaal?
Veel reddingsbootjes die de geallieerden bij de evacuatie van Duinkerke, eind mei-begin juni 1940, op het strand en soms zelfs in de straten van De Panne hadden achtergelaten, waren indertijd door de bewoners weggehaald en bleken nu plots hun gewicht in goud waard. De grotere vissersboten werden in 1940 gebruikt voor de vlucht naar Frankrijk en Engeland. Wat overbleef op het strand was in flarden geschoten tijdens de luchtaanvallen.
Alles wat kon drijven werd opgelapt en hersteld. In enkele gevallen kon men zelfs bij de Duitse overheid voormalige Britse reddingsbootjes kopen. Anderen vervaardigden zelf een eigen boot, of deden beroep op timmerman Henri VERBANCK uit Veurne. Ook schrijnwerker Richard COMEIN werd meer dan eens aangesproken om hier en daar de verschansing wat te verhogen door enkele planken bij te plaatsen. Zo kon men meer haring meebrengen. Van de badkarren [2] gebruikte men de onderstellen om de bootjes in zee te trekken. Gaston WALRAVE, die als garnaalvisser te paard over een rijdier beschikte, hielp eveneens mee om de bootjes met zijn paard eerst in het water, en nadien terug op het strand te trekken. Hiervoor kreeg hij gewoonlijk 20 frank, later 50 frank, al had hij veel liever een kliekje haring [3].
De open Pannese bootjes waren gemiddeld zowat vijf meter lang, en konden in het beste geval zowat duizend kilo haring aan boord nemen. De Heistenaars, waren er wat beter aan toe. Hun vaartuigen waren zowat zeven tot acht meter lang en zij konden 2000 tot 3000 kilo vis aan boord nemen. Bracht men in Nieuwpoort honderdduizenden kilo haring aan, dan bedroeg de aanvoer in De Panne toch nog enkele tienduizenden kilo.
Het was in elk geval een vreemde vloot. Heel wat van de zelf ineen getimmerde bootjes hadden niet eens een kiel, en leken meer op drijvende troggen. Maar alle middelen waren goed. De haring betekende voedsel en geld. Sommigen hebben in die oorlogsjaren echte fortuinen gemaakt, en nadien ook wel eens verloren.
VISSERIJ
De Duitse bezetter, die de betekenis van de haringaanvoer als voedselbron vlug besefte, liet na enige tijd de Pannese vissers toe ook verder te vissen dan de eerst voorgeschreven zone van 400 tot 500 meter.

Men mocht tot aan het Potje [4] en zelfs tot aan het Westdiep [5] varen. Het roeien was evenwel zwaar labeurwerk. Van De Panne tot aan het Westdiep rekende men op een uur roeien, en voor het terugkeren, met de haringen aan boord, l uur en 20 minuten. Nog later lieten de Duitsers, eindelijk het gebruik van een klein schoverzeiltje toe [6].
Uur van afvaart en stopzetten van de visserij werden door middel van een vlag op het wachtschip duidelijk gemaakt. Vissen werd gewoonlijk toegelaten van "’t klaren tot aan 't donker", al spraken de getijen wel hun woordje mee.
Het wachtschip waarop één of twee gewapende Duitse soldaten meevoeren, mocht niet mee vissen. Maar toen weldra bleek hoeveel geld er te verdienen viel met de haringaanvoer, werd dit voorschrift niet altijd even strikt toegepast.
GELEGENHEIDSVISSERS
Timmerman, elektricien, schoenmaker, loodgieter, bakker, plakker, metselaar, kortom "al wat poten en oren had" in De Panne stak in zee. Velen waren zoon van een of andere Pannese visser maar hadden, ten gevolge van het opkomende toerisme in De Panne, een ander beroep gekozen. De meesten hadden dus toch nog enige kennis van de zee, of waren zo voorzichtig aan boord tenminste een oud-visser mee te nemen.
Er bestond blijkbaar een speciale god voor de Pannese vissers in die jaren. De hele oorlog door gebeurde er geen enkel dodelijk ongeval. Toch ontsnapte Frans TIMMERMAN (Cissen Zitte) op het nippertje aan de dood, toen zijn bootje op een mijn liep. Zijn vaartuigje ging verloren, doch hij zelf werd levend opgepikt.
Het spreekt vanzelf dat de bezetter, van nature toch al een beetje bemoeiziek, de Pannenaars en Heistenaars tijdens de tweede wereldoorlog niet zomaar op haring lieten vissen. Pasjes en voorschriften moesten dat een beetje reglementeren.
De Pannenaars kennende, baart het geen verbazing dat ze onder al die regelgeving uit probeerden te komen, met zeer aanzienlijk succes trouwens. Het verhaal van de haringwinters tijdens de oorlog is ook een verhaal van smokkel en woeker in 't zwart, waardoor de Duitsers flink "bij 't zeventiende" werden gezet zodra ze daar ook maar de kleinste kans voor kregen. De Corporatie, die normaliter alle gevangen haring had moeten krijgen, kreeg alleen de restjes. Het overgrote deel verdween op mysterieuze wijze.
DE CORPORATIE
De aangevoerde haring moest afgeleverd worden aan de Corporatie. Met een handkarretje werd de haring naar de Corporatie gevoerd die de prijs bepaalde. Deze bedroeg in het begin 3 fr. per kilo, maar liep mettertijd op tot 5 fr. en zelfs 8 fr. [3]. De weging van de haring vond plaats in open lucht op het Vuurtorenplein, in een barak aan hotel l’ Ocean, in de lege bakkerij van PYLYSER in de Duinkerkestraat, of in de voormalige garages DEJAEGHER in de Walckierstraat.
SMOKKEL
Het beste haringjaar was het winterseizoen 1942-1943. De wind zat toen meestal zuid of zuidoost, wel een beetje fris, maar weinig of geen stormweer.
Van de haring die de vissers mee naar huis konden nemen, werd heel wat opgekocht door haringrokers, visverkopers en straatleurders. Het grootste deel van deze mensen had niet eens een handelsregister. Onder de vissers waren er ook die met hun haring naar de boeren in het hinterland (De Moeren) trokken, om ze te ruilen voor aardappelen, enkele eitjes, een beetje smout, een klikje meel of een paar broden. Het was nochtans oppassen geblazen voor de controleurs, Duitsers vergezeld van honden, want het Sperrgebiet (de kustzone) verlaten zonder pas was niet toegelaten. Nog anderen verkochten soms hun haring tegen 5 fr. per stuk (!) aan "blauwers" (smokkelaars). Dat waren mannen uit Zarren, Klerken, Jonkershove en Houthulst, die op het vliegveld van Koksijde werkten bij de aanleg van startbanen of bij de bouw van bunkers in de duinen van de Westhoek. Ze brachten van thuis tabak, varkensvlees of boter mee en gingen 's avonds naar huis met hele zakken haring.
DE HARING VERHUIST NAAR MIDDELKERKE
In september 1944 werd De Panne bevrijd. Tijdens de daaropvolgende haringcampagne 1944-1945 bleek de meeste haring zich ter hoogte van Middelkerke op te houden. Heel wat vissers uit De Panne hadden dan evenwel reeds hun vroegere beroep terug opgenomen. Ook de Heistenaars waren de een na de andere terug naar huis getrokken.
Het einde van het haringseizoen 1944-1945 betekende evenwel onherroepelijk het einde van De Panne als vissersplaats.
Geraadpleegde bronnen
o Dagblad HET VOLK van 23 en 24 januari 1985, een bijdrage op basis van een artikel van Jacques BEUN met aanvullingen door
> Maurice VERBANCK (1894-1964)
> Gaston WALRAVE (1910-1986)
> Maurice HAELEWYCK (1907-1988)
> Sylvain RECOUR (1920-2001)
> Romaan LAMBREGT (1909-2003)
o Familiearchief STAES-BEYEN
[1] Een kelle is een watergeul tussen zandstroken op het strand bij eb, die langzaam leegloopt bij terugtrekkend water. Een zwem is een plas die bij vloed volloopt en nagenoeg vol achterblijft als de zee zich terugtrekt.
[2] Een badkar was een verkleedhokje dat op een onderstel met wielen werd gemonteerd. De kar werd tot aan de vloedlijn getrokken zodat de badgast van uit het hokje meteen in het water terecht kon.
[3] Een frank uit 1940 was eind 2025 ongeveer 35 BEF of 0,88 EUR waard. 50 frank uit die tijd zou nu dus ongeveer 44 euro waard zijn.
[4] Het Potje is een diepte tussen de zandbanken voor de kust van De Panne. Hier werd veel vis gevangen.
[5] Het Westdiep is een langgerekte geul, die nagenoeg evenwijdig loopt met de kustlijn van Middelkerke tot bijna Duinkerke.
[6] Een schoverzeil is een vierkant zeil aan een rondhout (ra), dat niet dwarsscheeps maar wel langsscheeps werd gevoerd.